Het Pand

Van 1801 tot heden

Gebouw

Het gebouw van de Friesche Club dateert uit 1801. De Leeuwarder muziekmeester en organist Johannes Posthumus kocht twee woningen aan de Haniasteeg, die hij liet verbouwen tot een beneden- en een bovenzaal. Voor Posthumus een hele vooruitgang, want reeds hiervoor vertoonde hij voor vrienden op de zolder van zijn woning in het Maria Annastraatje toneelstukjes. Hij had daar veel succes mee, al waren ruimte en inrichting nog zo bekrompen. Johannes Posthumus moest dus vanwege de grote publieke belangstelling uitkijken naar een geschiktere ruimte.  Posthumus vatte het plan op om een ‘echte’ schouwburg te stichten. Aan de Haniasteeg werd op 3 september 1801 de eerste steen gelegd. In 1802 vond er de eerste uitvoering plaats.
Al na één jaar bleek de toneelzaal te klein en moest er aanzienlijk worden uitgebreid. Posthumus werd bij zijn plannen ondersteund door vermogende lieden, waardoor de aankoop van een achttal huisjes en een bleekveld grenzend aan zijn erf mogelijk werd. Hij liet alles slopen en vervolgens werd er een “comediezaal met toneel” gebouwd, die met de reeds bestaande zalen werd verbonden. Verder kocht Posthumus een huis aan het Ruiterskwartier om zijn zalen een meer geschikte ingang te geven en hij liet het tevens geschikt maken om er te wonen.
De nieuwe accommodatie beantwoordde aan de verwachtingen. Het niveau van de uitvoeringen werd danig verhoogd en bekende gezelschappen uit het westen des lands kwamen regelmatig spelen.
Een bezoek aan de schouwburg betekende in die tijd een lange avond doorbrengen in een gewoonlijk matig verwarmde en halfdonkere zaal, waarin de gasverlichting de toeschouwers soms net voldoende kans bood om te zien of gezien te worden. De lange pauzes tijdens de toneelopvoeringen, nodig voor wisseling van het decor, zorgden ervoor dat er bovendien uitvoerig geconverseerd of van de geboden verversingen kon worden genoten. Op een gegeven moment werd het gebouw opnieuw te krap. Uiteindelijk werd het succes van de schouwburg indirect de ondergang, want het stadsbestuur was geïnteresseerd geraakt en maakte zelf plannen om een nieuwe en grote Stadsschouwburg te stichten. In de jaren veertig zag men daar in eerste instantie nog van af en gaf de stadsoverheid in 1844 zowaar nog een subsidie van fl. 1500, – voor de verbouwing van de zalen. De publieksruimten waren (oplopend in prijs) ingedeeld in loges en stalles, parterre, amfitheater, midden-galerij en galerij.
Later in 1881 kwam aan de overkant van de straat toch De Harmonie en daartegen kon de oude stadsschouwburg zich niet lang staande houden. Het aantal opvoeringen daalde sterk en de exploitanten, die na de dood van Johannes Posthumus in 1843 het gebouw in eigendom verwierven maakten er een koffiehuis van. Niet zo verwonderlijk, want het Ruiterskwartier werd in die tijd vooral op marktdagen bijzonder druk bezocht door het winkelend publiek.

Intrede Friesche Billard Club

Omstreeks 1915 werd de oude Stadsschouwburg aangekocht door de Friesche Billard Club (opgericht op 15 maart 1901). Het pand werd toen voor de nieuwe gebruikers geschikt gemaakt onder supervisie van architect Hendrik Nieuwland, die ook verantwoordelijk was voor de nieuwe gevel een vijftiental jaren later. Vier jaar na het in gebruik nemen van het clubgebouw telde de vereniging 761 leden en dat gaf mogelijkheden om de accommodatie verder te verbeteren. Al vanaf de begin jaren werden de biljarts druk bezet, ondanks het feit dat het spel in een bedompte en erg rokerige sfeer moest plaatsvinden. In die jaren werden de biljarts verwarmd met gloeiende turven.  Zestig stuks per dag verdwenen er in de laden. Talrijke keren waren er verbouwingen en uitbreidingen. Gelukkig bleef de tot biljartzaal ingerichte schouwburgzaal grotendeels intact. In 1930 werd de oude schouwburggevel in Frans georiënteerde neo-renaissancestijl vervangen door een Amsterdamse School-gevel. Ook de glas in lood-elementen in de gang en elders zullen toen zijn aangebracht. In 1940 werd de bovenste galerij (balkon) in de biljartzaal verwijderd.  Dit doordat men i.v.m. stookkosten het plafon anderhalve meter liet zakken.
Begin jaren negentig vond ook een groot deel van de georganiseerde Leeuwarder kegelaars onderdak in de De Friesche Club. Aan de Ype Brouwerssteeg werd een kegelhuis van allure ingericht.

Biljarten en kegelen slaan van oudsher bruggen tussen hoge en lage cultuur. Maar ook tussen mensen onderling, tussen rangen en standen, leeftijden, overtuigingen en gezindten. Het zijn activiteiten die verbinden en de ‘mienskip’ versterken. Evenals het schaatsen, die andere sport waar Friezen sterk in zijn, werken biljarten en kegelen vooral verbroederend

De Friesche Club

De Friesche Club dateert al van 1901 en is samen met De Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden (1909) een van de oudste verenigingen van Leeuwarden. Was de Friesche Biljart club de eerste jaren een gewone vereniging met de aankoop van het eigen onderkomen werd het in 1916 allemaal wat ingewikkelder en voor het bestuur heel wat arbeidsintensiever. Zo moest de club personeel in dienst nemen en als heuse werkgever gaan optreden. Er kwamen een buffetchef, een zaalchef voor de biljarts, twee tot drie kelners, een piccolo en een schoonmaakster. Voor huidige begrippen haast een leger maar de lonen waren er laag in die tijd. De piccolo kwam er met een hongerloontje van 2 gulden in de week wel heel bekaaid van af. Hij moest vooral leven van de fooien die hij kreeg van de clubleden voor bewezen diensten zoals jas ophangen, fiets stallen en boodschapjes doen. Veel logica zat er niet in de beloning van de personeelsleden. De eerste buffetchef kreeg 25 gulden in de maand terwijl de zaalchef die in de biljartzaal een soortgelijke functie uitoefende en ook nog eens gedelegeerde van het bestuur was met de prachtige titel Commissaris van Exploitatie, 17 gulden kreeg.

De Friesche club mag zich vanaf 1939 Koninklijk noemen.

De tijd dat biljarten een privilege was van de gegoede burgerij behoort inmiddels tot het verleden. Door de jaren heen is De Friesche Club volkser geworden. Het zijn allang niet meer alleen sigaren rokende mannen die zich hier thuis voelen tussen het kostelijk klakken van botsende biljartballen. Sterker nog, er wordt helemaal niet meer gerookt tijdens het spel, en de vereniging staat open voor een nieuw en jonger publiek. . De Friesche Club behoort tot het culturele erfgoed van Leeuwarden en is de mooiste biljartlocatie van Nederland, zo niet van Europa. In het hartje van Ljouwert kun je in een historisch pand maar liefst op 7 wedstrijdtafels en op 3 grote tafels biljarten.

Vrouwen en de Friesche Club.

De Friesche club was een herensociëteit.
De vrouw van het beheerdersechtpaar moest hard werken zonder daar aansprekend beloond voor te worden. En zonder al te veel vertier en contact met anderen. Haar taak was in de de keuken en slechts de etenslift verbond haar een groot deel van de dag met de buitenwereld. Zij mocht ook niet in de sociëteitszaal komen zolang die bezet was.
“Dat wilden de heren niet hebben’. We spreken nu van de jaren vijftig en in het begin van de jaren zestig was het nog niet veel anders.

De aanwezigheid van vrouwen en het deelnemen van vrouwen aan clubactiviteiten werd in ieder geval alles behalve op prijs gesteld. Ze mochten bij hoge uitzondering komen bij speciale gelegenheden; bij feesten of bij een enkele bridgedrive voor vrouwen maar daarbij moest het eigenlijk wel blijven.
Maar op een bepaald moment namen (vooral op zaterdagmiddag) de biljarters toch hun vrouwen mee naar de club. Toen in de voorzaal bleek dat er vrouwen waren die wel een goed waren in kaarten vonden de mannen het wel handig dat wanneer de spoeling dun was de vrouwen mee konden doen. Maar meedoen aan officiële kaartwedstrijden was nog lang moeilijk vanwege de ontbrekende status. Want lid worden kon niet; dat was statutair uitgesloten. Pas eind jaren zestig zocht men legitimering voor de aanwezigheid van vrouwen. Het bestuur opende een mogelijkheid voor de dames om als donatrice een zekere status te verwerven. Maar stemrecht of aanwezigheid op de algemene ledenvergadering was echter niet aan de orde.

Vrouwen konden pas in 1985 volwaardig lid worden van de ‘elite’ club.  Net voor de eeuwwisseling had de club voor het eerst een vrouwelijk bestuurslid.

Kegelbanen

De kegelaars kwamen niet uit het niets. In 1891 werd er in de tuin van de tegenover gelegen Stadschouwburg De Harmonie al een kegelhuis gebouwd. Vanaf de beginjaren van de Friesche Club is er gedacht aan de mogelijkheid van een kegelbaan in de club, maar de geschikte ruimte had men toen niet voorhanden. Indertijd ging het aankopen van extra huisjes in de Haniasteeg niet door en pas veel later in het midden van de tachtigere jaren kwam er met het beschikbaar komen van een groot pand ten oosten van de club een nieuwe kans.  Het bestuur van de Friesche Club achte een breder draagvlak onontbeerlijk i.v.m. het terug lopen van het ledenaantal. Een partner zou de kans tot overleven aanmerkelijk vergroten stelde men en die visie was ongetwijfeld juist.  Pas in mei 1987 was het dagelijks bestuur een uitwisseling van informatie begonnen met Johan van der Heijde, de voorzitter van de Leeuwarder Kegel Combinatie. Het pand aan de Ype Brouwersteeg was uitermate geschikt om een kegelcentrum van te maken. En aangezien de Leeuwarder Kegelaars op korte termijn twee gelegenheden zouden gaan verliezen.  De kegelzaal in De Harmonie sneuvelde in de nieuwbouw plannen en aan de westkant van de stad raakte men de accommodatie van Tebel kwijt. De besprekingen met de kegelaars verliepen echter moeizaam, aangezien er grote financiële risico’s genomen moesten worden en de club daar voor garant moest staan, maar waarbij men van tevoren niet met zekerheid kon zeggen van hoeveel kegelaars uiteindelijk steun en support kon worden verwacht. Het toenmalig bestuur ging dan ook zeker niet over één nacht ijs.  Na verloop van tijd kwam toch alles in kannen en kruiken. De gemeente wilde toch ook wel graag dat de kegelaars onderdak kregen en verleende twee ton subsidie. (1991). Anno 2016 geeft de club onderdak aan vier kegelclubs. En is er de mogelijkheid om de kegelbanen te huren voor groepen. En
wat is er nu leuker om met je collega’s, vrienden, kennissen, familie of met je buren gezellig te kegelen onder het genot van een hapje en een drankje.

Grand Café

Grand Café De Friesche Club is een warme ontmoetingsplek voor iedereen. Het authentieke, sfeervol, gastvrij horeca etablissement met zo’n 40 zitplaatsen en de prettige en informele, tijdloze ambiance samen met het (verwarmde) terras maken het Grand Café aantrekkelijk voor een breed publiek.

Het pand aan het Ruiterskwartier is tijdens de zomermaanden van 2015 verbouwd. Er is een nieuwe entree en de bar en keuken zijn gemoderniseerd. Het historische meubilair is behouden. Het appartement op de verdieping is aangepast voor de nieuwe pachter.
De stoelen in het Grand Café stammen uit 1931. Ook de stamtafel uit die tijd staat er nog steeds. Vroeger mochten aan de stamtafel alleen bestuursleden zitten en prominenten. Andere leden moesten blij zijn dat zij op de tweede rij werden geduld. Deelnemen aan het gesprek werd echter niet toegestaan.
De voorgevel uit de jaren dertig, in de stijl van de Amsterdamse School, oogde nog wat gesloten, maar daar is verandering in gekomen.
Het moest allemaal opener, transparanter en meer gericht op de stad.

Bent u In Leeuwarden voor een: dagje shoppen, bioscoop bezoek, theater bezoek, praamvaren, stadswandeling, congres, concert bezoek, u kunt beslit een bezoek aan ons authentieke, historisch pand niet overslaan. Ook voor de “Liwwadders” is ons pand nog altijd een grote verrassing. Kom gerust eens kijken: “ Het best bewaarde geheim van Leeuwarden”.